De vereniging van en voor verkeersslachtoffers, hun partners, familie en vrienden.

open brief aan Minister F. B.J. Grapperhaus

toegevoegd op

                                                                                     Amsterdam, 6 mei 2019

Zeer geachte excellentie Grapperhaus,

Wij zouden het erg op prijs stellen als wij met u van gedachten zouden kunnen wisselen over de, naar onze mening, onbevredigende wetgeving voor verkeerszaken, die in de samenleving tot veel onvrede leidt, maar ook van groot belang is voor het verhogen van de verkeersveiligheid. In deze brief zullen wij ons verzoek nader toelichten.

Het zal u niet ontgaan zijn dat de laatste jaren de maatschappelijke onvrede over de ‘straffen’ voor veroorzakers van ernstige aanrijdingen, waarbij doden en/of gewonden te betreuren zijn, duidelijk aan het toenemen is. Ook wij worden hier dagelijks mee geconfronteerd en het vonnis van 26 april 2019 voor het doodrijden van de 19-jarige Fleur in Loosdrecht heeft ook voor veel onrust en onvrede gezorgd. Wij hebben er ook al meerdere malen op gewezen dat dit soort gedragingen in het verkeer niet als overtredingen, maar als misdrijven worden ervaren. De ‘straffen’ die worden opgelegd staan dan, voor de samenleving, in geen verhouding tot de gevolgen voor de slachtoffers en de nabestaanden. Voor de samenleving is de aanrijding in Loosdrecht een misdrijf als ‘doodslag’, waar een maximum straf van 15 jaar op staat en dan wordt de opgelegde straf van 3 jaar als een schoffering van de nabestaanden beschouwd.

Een belangrijke oorzaak ligt in de arresten van de Hoge Raad, die het wetsartikel over ‘roekeloos rijgedrag’ zo goed als ‘kaltgestellt’ heeft met, voor normale burgers, volstrekt onbegrijpelijke argumenten. Naar onze mening is de Hoge Raad daarbij op de stoel van de wetgever gaan zitten en is hier geen sprake van ‘interpretatie’, want in de Memorie van Toelichting staat heel duidelijk ‘dat er bij twee of meer zware overtredingen van de wegenverkeerswet al snel sprake is van roekeloos rijgedrag’, maar de Hoge Raad maakt hiervan ‘dat er slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake is van roekeloos rijgedrag’. Dat zijn heel duidelijk andere bewoordingen en dat is naar onze mening ‘herschrijven’ en niet ‘interpreteren’. Dhr. Buruma maakt het in de Telegraaf van 3 februari 2018 nog bonter door te stellen dat de straf bepaald wordt door de intentie en niet door de handelwijze. Deze redenatie is voor ons niet alleen volstrekt onbegrijpelijk, maar ook onjuist: een poging tot moord wordt lichter bestraft dan moord, hoewel de intentie van de dader exact hetzelfde is.

Een belangrijk gevolg van de lage straffen die aan verkeersmisdadigers worden opgelegd is dat er nu weinig preventieve werking van uitgaat: de tweede betrokkene van de aanrijding in Loosdracht heeft een werkstraf van 100 uur opgelegd gekregen terwijl hij met meer dan 3 driemaal (!) de toegestane snelheid (in de bebouwde kom!) reed. Wij zijn dan ook niet verbaasd (maar wel erg bedroefd) dat de aantallen slachtoffers op de Nederlandse wegen een stijgende lijn vertoont en wij verwachten dat deze trend in 2019 voortgezet zal worden. Wij vinden het dan ook onbegrijpelijk dat een aantal maatregelen, die zeer behulpzaam zouden zijn bij het omkeren van deze trend, maar uitblijven:

– alcoholslot (terwijl dit in de ons omringende landen deze juist ingevoerd wordt)
– recidive bij snelheidsovertredingen (boetevermenigvuldigingsfactor)
– ‘harde’ intelligente snelheidsbegrenzers
– rijbewijsslot (effectieve blokkering van doorrijden na invordering rijbewijs)
– blokkering smartphone bij snelheden > 10 km/h
– uitlezen ‘Event Data Recorder’ bij aanrijdingen                                                                                                      

De argumenten, die gewoonlijk gehanteerd worden voor niet-invoering, zijn ons bekend en mogelijke oplossingen daarvoor hebben wij al meerdere malen in ons Zwartboek en de bijbehorende jaarlijkse Appendices aangedragen. Het niet-invoeren van deze maatregelen is dus geen kwestie van niet kunnen, maar een kwestie van niet willen. Gezien de ernst van de gevolgen van de verkeersonveiligheid, zowel in menselijke als in materiële zin, is deze onwil voor ons volstrekt onbegrijpelijk.

Wij hebben vernomen dat er aan wetgeving wordt gewerkt om ook ‘gevaarzettend’ gedrag in het verkeer te kunnen bestraffen. Wij zijn hier grote voorstander van en wij hopen ook dat deze wetgeving ‘Hoge Raad bestendig’ wordt, anders zitten we binnen korte tijd weer met dezelfde ‘dode letters’ als nu. En dan zou de preventieve werking weer vervallen, net zoals met ‘roekeloos rijgedrag’ is gebeurd.

Dat laat onverlet dat het goed Nederlandse spreekwoord ‘voorkomen is beter dan genezen’ ook op de verkeersonveiligheid van toepassing is. Er zijn nog genoeg technische mogelijkheden beschikbaar (!) die nu niet benut worden om de verkeersonveiligheid te verminderen. Deze worden nu vaak niet ingevoerd omdat hiervoor ‘geen draagvlak zou zijn’. Wij vinden dergelijke argumentatie niet alleen aanvechtbaar, maar veelal contra-productief. Want wie bepaalt waar ‘draagvlak’ voor is en op welke wijze? En moet dat dan de doorslag geven? En wie draagt de gevolgen van de verkeersonveiligheid? Soms moet de overheid maatregelen durven nemen die wellicht initieel op weinig instemming kunnen rekenen, maar na enige tijd gemeengoed geworden zijn. Als voorbeelden kunnen de helmplicht voor motoren (en niet veel later bromfietsen) en autogordels worden genoemd. Deze hebben uiteindelijk een flinke bijdrage geleverd aan de vermindering van het aantal slachtoffers en de ernst van de gevolgen van aanrijdingen. En nu zijn zij volkomen geaccepteerd.

Wij willen daarom graag een keer met u van gedachten wisselen over bovenstaande problematiek om e.e.a. ook eens vanuit slachtofferkant te belichten. Helaas hebben slachtoffers in de hele juridische afwikkeling nog steeds maar een zeer geringe rol, mede waardoor de slachtoffers grofweg de helft van de kosten van de verkeersonveiligheid (=7 MILJARD Euro van de 14 MILJARD die het de B.V. Nederland jaarlijks kost!) moeten dragen. Dit is, afgezet tegen de 2,6 miljard die de verzekeringen betalen, een volstrekt onacceptabele situatie, die mede wordt veroorzaakt door de wetgeving op dit gebied, die gerust slachtoffer-vijandig genoemd mag worden. Wij pleiten al jaren voor een verbetering van de wettelijke positie van slachtoffers, maar tot op heden zijn onze woorden aan dovenmansoren gericht gebleken. De reden daarvan is ook voor ons nog steeds een raadsel. Wij verwachten dat door betere wetgeving de aantallen slachtoffers verminderd kunnen worden en de wettelijke positie van slachtoffers kan worden verbeterd, zodat zij minder vaak ‘dubbel slachtoffer’ worden van de verkeersonveiligheid. Navrante voorbeelden daarvan kunt U in onze Zwartboek en de jaarlijkse Appendices hiervan vinden. Deze zijn gratis te downloaden van onze website www.verkeersslachtoffers.nl

Wij zullen deze brief ook op onze website plaatsen, zodat onze leden en een ieder, die hierin is geïnteresseerd, kennis kunnen nemen van ons verzoek.

Hoogachtend

Nelly Vollebregt, voorzitter Vereniging Verkeersslachtoffers